Filosofie

| Vrijdag 26 oktober | Zaterdag 27 oktober | Zondag 28 oktober

14:00-16:00 Filosofie
door Jan de Bas (€ 7,50 p.p.)
min 5 – max 20 personen

Jan de Bas, docent aan InHolland en grondlegger van de Filosofiegroep Rotterdam laat ons kennismaken met filosofie.

Totaal: € -

Filosofiegroep Rotterdam

Hand-out: Filosoferen over de mens

In deze workshop staat het thema de mens centraal. Het is een van de vijf thema’s die in de geschiedenis van de westerse filosofie vanaf de vroege Griekse denkers tot en met wijsgeren in de 21e eeuw zijn bevraagd. De andere thema’s: het denken, taal, de mens en doen (ethiek). Er bestaat  verwantschap tussen de vijf thema´s en de vier vragen die de filosoof Kant van importantie vond voor het beoefenen van filosofie. Deze vragen vormden voor hem de kernvragen van de wijsbegeerte.

  1. Wat kan ik weten?
  2. Wat moet ik doen?
  3. Wat mag ik hopen?
  4. Wie is de mens?

Filosofen zien de mens als prominente verschijningsvorm van het zijn. De vraag die veel filosofen stellen is wie de mens is. Is de mens zoals Aristoteles stelt vooral een politiek wezen? Is de mens een moreel individu, zoals Kant beweert? Of is de mens – in de voorstelling van Charles Darwin (1809-1882) – een wezen dat zich onderscheidt van andere dieren door zijn verstand te ontwikkelen en zich goed aan te passen aan de omstandigheden waardoor hij kan overleven? Dat zijn antropologische vragen die filosofen stellen.

Al deze vragen cirkelen rond de identiteit van de mens. Daarbij gaat het om de mens als soort, maar ook om de mens als individu. Het gaat er volgens de wijsgeer Søren Kierkegaard (1813-1855) in het leven vooral om de juiste keuzes te maken. Het leven is voor hem een persoonlijke aangelegenheid. Kierkegaard schrijft in Of/Of dat iedereen kan beslissen welk type mens hij wil worden. Hij kan kiezen voor de esthetische mens, die vooral waarde hecht aan tijdelijke dingen als nieuwe kleding, een mooi huis, hoge rapportcijfers en carrière maken. Hij kan ook een voorkeur hebben voor de ethische mens die moraal belangrijk vindt en voor zichzelf goed probeert te leven. Ten slotte kan hij de religieuze mens prefereren. Deze houdt zich bezig met de medemens en met zijn omgeving, omdat God hem daartoe inspireert. Andere filosofen benadrukken antropologische verschijnselen als: de ander, de gemeenschap, vriendschap en de relatie tussen de mens en zijn natuurlijke omgeving.

 

Jan de Bas, Kan een bloemkool denken (2016), 85-86.

In de filosofie gaat het bij het zijn om het bestaan zelf, om alles dat bestaat, omdat alles bestaat. Het gaat om wat de filosoof Ludwig Wittgenstein in de Tractatus schrijft: ‘Alles wat het geval is’. Wijsgeren houden zich bezig met vragen als: Wat is het zijn? Wat is er nodig om te zijn? En waarin onderscheidt het zijn zich van het niet-zijn? Dit zijn allemaal ontologische vragen, vragen die betrekking hebben op de zijnsleer. Filosofen maken een onderscheid tussen het zijn zelf en de verschijningsvormen van het zijn: het zijnde. Ook en juist de verhouding tussen het zijn en het zijnde is voor veel filosofen onderwerp van denken.

.

OEFENING 1 VRAGEN STELLEN

We gaan antropologische vragen stellen. Formuleer bij elke afbeelding minimaal een vraag.

    1. We praten daarna over de vraag of de vragen FILOSOFISCHE vragen zijn.
    2. We gaan na welk aspect van het zijn werd bevraagd en waarom.
    3. Gingen jouw vragen over het zijn of het zijnde?

OEFENING 2 HET KWATRIJN OVER DE MENS/MENSEN

Maar wat als heel de mensheid grijs zou zijn.
Geen zwart, geen wit? Dat is mijn grootste vrees.
Dan was het leven een anti-kleurenfestijn.

Diversiteit een soort gelopen race.

Gerrit Komrij (2013). Boermerang. (Bewerkt door Jan de Bas)

  1. Vat in je eigen woorden de ‘zijnsleer’ samen van Erasmus, aldus de dichter.
  2. Deel je die visie?
  3. Maak ook een kwatrijn waarin je jouw zijnsleer met betrekking tot  de mens verwoord. Je mag hierbij een afbeelding gebruiken. (Deze staat op een kaart die je ontvangt of kiest.) Start met het noteren van tien trefwoorden. Onderstreep de belangrijkste vier. Probeer in elke regel een woord te verwerken. Bedenk een passende titel. Je mag een rijmschema hanteren.

OEFENING 3 DE MENS… WAT VIND IK VAN HEM…

  1. Vul het schema in
  2. Noteer wat jij de drie belangrijkste aspecten en goede aspecten zijn en motiveer je keus.

OEFENING 4 DE GRABBELTON MET ANTROPOLOGISCHE VRAGEN

We maken een grabbelton met antropologische vragen. Ieder schrijf minimaal vijf vragen op. Die gooien we in de ton. Daarna trekken we ieder om de beurt een vraag. Dit doen we maximaal vijf keer. We lezen elkaar de mooiste vraag voor.

Voorbeeldvragen:

  1. Wat is het verschil tussen een kind met een Belgische vader en een Nederlandse moeder en een kind met een Nederlandse vader en een Belgische moeder?
  2. Waar verblijven mensen voor hun geboorte?
  3. Zijn tienermoeders goede opvoeders?
  4. Wanneer wordt een mens een mens?
  5. Was je gisterenavond exact dezelfde mens als vandaag?  
  6. Waarin verschil je van je vader?

OEFENING 5 DE SCHRIJFRONDE

Werkwijze: maak een groepje van vier. Ieder groepslid krijgt een nummer (1 tot en met 4). Het lid schrijft de stelling over die bij zijn nummer past. Hij geeft een reactie op de stelling en vouwt het blaadje zo dat niemand de reactie kan lezen. Hij geeft de stelling door aan een ander groepslid. Als elk groepslid op alle stellingen heeft gereageerd, leest elk groepslid de reacties op de stelling die hij als eerste kreeg.

Stellingen van Erasmus:

  1. Hij geeft tweemaal, die snel geeft.
  2. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen.
  3. Het ware geluk bestaat slechts in de illusies die men zich daarover maakt.
  4. Heel de wereld is mijn vaderland.

OEFENING 6 DENKWANDELEN (BIJ MOOI WEER) OVER DE MENS ….

Formuleer een scherpe gedachte bij de volgende afbeeldingen. Doe dit per afbeelding. Je loopt een rondje. En na een minuut noteer je de gedachte. Kruis na vijf wandelingetjes de scherpste gedacht aan.

OEFENING 7 TRAIN OF THOUGHT…. OVER DE MENS  ….

OEFENING 8 CONCEPT ANAYLSE

Formuleer in maximaal 40 woorden je visie, mening, idee m.b.t. de goede mens op een A4. Noteer van te voren een steekwoorden die je er in wilt verwerken. Je vouwt je blaadje twee keer. De blaadjes worden ingenomen en weer uitgedeeld. De lezer noteert drie tot vijf kernbegrippen n.a.v. de visie op het A4tje. Daarna worden de kernbegrippen uitgewisseld. Vraag: herken je je eigen visie?

OEFENING 9 AFROISMEN OVER DE MENS …. MAAK JE TOP 3. DAARNA: WAT IS ONZE NUMMER 1?

  1. Het leven van een mens is wat zijn gedachten ervan maken.(Marcus Aurelius)
  2. Kan iemand die zichzelf haat, wel van een ander houden? (Erasmus)
  3. De mens is een sociaal dier, hij is niet gemaakt om alleen te leven. (Aristotelis)
  4. De goedheid van een mens is een vlam die wel verborgen, maar niet gedoofd kan worden. (Nelson Mandela)
  5. Mensen die in een ivoren toren leven, wonen vaak naast mensen in een luchtkasteel. (Jan de Bas)
  6. Afstand scheidt enkel de lichamen, niet de geesten. (Erasmus)
  7. Zelfkennis begint bij naastenliefde. (Jan de Bas)
  8. De mens wordt vaak wat hij denkt. (M. Ghandi)
  9. Hij die de kunst begrijpt met zichzelf te leven zal zich nooit vervelen. (Erasmus)
  10. Medelijden met dieren hangt met de goedheid van het karakter zó nauw samen, dat men gerust beweren kan: wie wreed is tegenover dieren, kan geen goed mens zijn. (Arthur Schopenhauer)
  11. Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. (Erasmus)


OEFENING 10  ELFJE OVER ZELFJE